Hoofdstuk III

DE LEVENSLOOP VAN EEN FRATER

a) Roeping

Waarom ging iemand het klooster in? Dat is vrij moeilijk om in het algemeen te formuleren. Veel fraters hebben als jongen op een school gezeten, die geleid werd door fraters. Door deze contacten groeide er iets van “dat lijkt me wel wat. Ik wil ook wel frater worden”. Als regel ging zo’n jongen dan na de lagere school naar het Juvenaat: een internaat speciaal bestemd voor jongens die frater wilden worden, daar een opleiding volgden en van daaruit het klooster in gingen. Vanaf het begin van de congregatie tot 1932 was het juvenaat in het St.-Gregoriushuis in Utrecht; van 1932 tot ongeveer 1965 in de Sint Jozefkweekschool in Zeist, op de plek waar nu het gebouw van de PGGM staat. Men sprak altijd van: roeping. Men ging ervan uit dat iemand zich geroepen voelde om het klooster in te gaan. De betrokkene zelf hoorde echt geen stem hoor, maar had wel het gevoel: dit trekt mij aan; dit gemeenschappelijk leven wil ik wel gaan leiden; als frater-onderwijzer of jeugdleider kan ik veel betekenen voor de jeugd enz. Het waren dus meerdere vormingsjaren die aan de intrede in het klooster vooraf gingen.

b) Inkleding

Rond hun 18de jaar zijn de meeste fraters ingetreden. Sommigen hebben niet op het Juvenaat gezeten en kwamen rechtstreeks “uit de wereld” of waren “een late roeping”, zoals het toen genoemd werd. Deze laatsten waren over het algemeen ook iets ouder. Werd iemand toegelaten tot de gemeenschap, dan begon hij aan een eerste proefperiode, genaamd “postulaat” en je werd “postulant” (postulare betekent: vragen). Je verkeerde in de periode van “vragen om toegelaten te kunnen worden”. In het Sint Jozefhuis had je vroeger de afdelingen van de jongens op het internaat en de afdeling van de fraters en dit heette “Het Slot”. Daar mochten alleen de fraters komen, geen jongens, geen bezoekers. Maar als postulant mocht je daar al wonen. Er was een aparte afdeling voor de postulanten en de jonge fraters.

Als je na een half jaar toegelaten werd tot de gemeenschap, ging je naar het noviciaat (hier zit het woord novum = nieuw in). Na een achtdaagse afzondering (retraite), kreeg je de inkleding dat wil zeggen je ontvangt het kloosterkleed en een kloosternaam. Uiterlijk werd je dus een frater, maar de vorming was nog niet ten einde, integendeel, begon feitelijk pas. Het noviciaat was een aparte afdeling van een groter huis en de novicen mochten géén omgang hebben met de andere fraters. Tot in de oorlog was het noviciaat in het St.-Eusebiushuis in Arnhem; daarna verhuisde het naar kasteel Heemstede in Houten totdat het in 1947 naar het St.-Gregoriushuis in Utrecht verhuisde. Rond 1965 is het noviciaat opgehouden, daar er geen nieuwe aanmeldingen meer kwamen.

In het noviciaatsjaar was het vooral veel bidden, bezinnen, geestelijke onderrichtingen krijgen en lezingen doen, met daarnaast veelal huishoudelijke karweitjes en tuinonderhoud doen. Je was echt van de “wereld daarbuiten” afgezonderd.

Volgens de nieuwere voorschriften mag een noviciaat nu twee jaar duren. Dit zien we elders ook gebeuren. In onze congregatie is het in Indonesië al jarenlang gebruikelijk om de novicen een vormingsperiode van twee jaar te geven. Wat daar wel in opvalt is, dat de tweedejaars novicen drie maanden stage gaan lopen in andere communiteiten van de fraters, juist om hen ervaringen te laten opdoen in het leven van alledag van een communiteit. Het leven als novice in een apart huis is natuurlijk toch heel anders dan het leven van een frater in de communiteit met al zijn activiteiten.

Nog even terugkomend op de kloosternaam en het kloosterkleed. De fraters hebben altijd een zwarte toog gedragen, met een singel (riem) van dezelfde stof met een blinde sluiting, plus een los, wit boord, dat aan de buitenkant van de kraag werd gedragen en daarbij werd een geloftenkruis aan een zwart koord gedragen. In Indonesië is het een witte toog met een vaste opstaande boord. Rond 1958 mochten de fraters op reis, bij jeugdwerk e.d. in plaats van de toog een zwart pak met “priesterboord” dragen. Vanaf 1963 mocht dat ook als je naar school ging. In huis diende men echter bij de kapeldiensten nog de toog te dragen. Enige tijd later is het toegestaan geweest om het zwarte pak door grijs te vervangen… en men zag al spoedig het grijs in steeds lichtere tinten verschijnen, tot in 1967 de kleding helemaal vrij gegeven werd. De fraters kregen kleed- en zakgeld en mochten gaan dragen wat ze wilden. Sindsdien zijn de toog en het zwarte pak niet alleen uit onze gemeenschap verdwenen, maar feitelijk uit het gehele straatbeeld. Praktisch alle kloostergemeenschappen zijn op burgerkleding overgegaan, waardoor de paters, broeders, fraters en zusters uiterlijk niet meer als “geestelijken” herkenbaar zijn. De laatste jaren zie je in de maatschappij weer een enkele priester uiterlijk herkenbaar aan een zwart pak met wit boordje. Maar ook niet overal. In Limburg zie je ook nog wel zusters in habijt in het straatbeeld, net zoals bij onze Ooster- en Zuiderburen.

Ook de kloosternaam werd vroeger gegeven als een middel om je los te maken van familie en buitenwereld. Aanvankelijk kreeg men een naam aangewezen, later mocht men deze zelf kiezen, maar deze keuze werd wel voorgelegd aan het Algemeen Bestuur bij de aanvraag om toegelaten te mogen worden. In dezelfde periode dat de kleding veranderde, kreeg men ook de vrijheid om zijn doop- c.q. roepnaam weer te gaan gebruiken. Een aantal fraters heeft daarvan gebruik gemaakt, anderen bleven buiten de familiekring de kloosternaam gebruiken. Vandaar dat je rond één persoon vaak twee namen hoort gebruiken: bijvoorbeeld frater Evaristus en ook Henk en Oom Henk.

Fraters in toog, priesterpak en in burger

c) Professie

Het noviciaat eindigt met het afleggen van de geloften. Overeenkomstig de constituties (Wetboek met een juridisch en een inspirerend deel) leggen de leden van onze gemeenschap drie geloften af. De termen hiervoor zijn: gelofte van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid. De inhoud is in deze constituties duidelijk omschreven. Het gaat om: gehoorzaamheid aan het officiële gezag, afhankelijkheid van de gemeenschap qua geld en goed in een sober leven en ongehuwd leven. Dit is natuurlijk kort en bondig gezegd, maar het leven zelf is veel ingewikkelder. Persoonlijke omstandigheden, omringende maatschappij, algemene en persoonlijke visies enz. spelen hierin een duidelijke rol. In de constituties kan men hierover desgewenst méér lezen.

Men deed dus professie door het afleggen van de gebruikelijke geloften. Hier was de gang van zaken: twee keer voor de tijd van één jaar, dan voor drie jaar en in de laatste periode van de drie jaar deed je de eeuwige professie oftewel legde je de geloften af voor het leven.

Bij de eerste professie krijg je ook het professiekruis of geloftenkruis. Daaraan kan men ook zien of je met een novice of een geprofeste frater te maken hebt. De fraters die tijdelijke geloften hebben afgelegd worden aspiranten genoemd.

Je ziet wel, allerlei termen worden gebruikt. Vaak termen uit een veranderde leefwereld. Als medewerker in zo’n gemeenschap is het goed om iets van al die termen af te weten, daar bewoners deze termen heel gemakkelijk gebruiken. Schroom niet als een frater een term gebruikt die je niet kent om hem te vragen de betekenis ervan te verduidelijken voor je.

d) Gemeenschap

De term gemeenschap wordt heel vaak gebruikt. Men spreekt van kloostergemeenschap, gemeenschapsleven, gemeenschappelijk leven, gemeenschappelijk gebruik enz. Het is een meervoudige term, die lang niet door iedereen met dezelfde inhoud gevuld wordt en dus ook voor spraakverwarring kan zorgen.

De fraters vormen samen één gemeenschap en wel – we hebben de naam in het begin al een keer gebruikt – van de Congregatie van de fraters van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart, zoals de officiële naam luidt. In het alledaags gebruik worden we de fraters van Utrecht genoemd, naar de plaats waar wij begonnen zijn (zo heb je ook de Broeders van Maastricht, de fraters van Tilburg, de zusters van Amersfoort enz. enz. Indertijd waren er zo’n 90 congregaties van zusters in Nederland, zo’n 50 van paters en 16 van broeders of fraters).

Onze gemeenschap werkt c.q. leeft in Nederland, Indonesië en Kenia. Een plaatselijke kloostergemeenschap wordt ook communiteit genoemd.

Vroeger was het leven echt gemeenschappelijk: allen onder één dak met de stelregel “gelijke monniken, gelijke kappen”. Dit is met alle veranderingen in leven en werken (ook door alle kerkelijke en maatschappelijke veranderingen) geheel anders geworden. Ook al leeft men in een gemeenschap onder hetzelfde dak, de leefwijze van eenieder is persoonlijker en individualistischer geworden; is verschillend van elkaar, waarbij uiteraard de fysieke en geestelijke situatie van eenieder een grote rol speelt. En ook als men alleen woont, kan men zich heel duidelijk lid van een gemeenschap voelen én ook zijn.

Gemeenschap heeft duidelijk te maken met het doel waarvoor men lid van de gemeenschap is geworden. De grond hiertoe vindt men weer terug in de constituties, de vorm waarin men dit doel in zijn leven probeert waar te maken, kan zeer verschillen.

De gemeenschap van Nederland bijeen voor het afscheid van Utrecht

e) Werkzaamheden

In de omgang met de fraters is het goed om van eenieder wat meer te weten over hetgeen men gedaan heeft. De werkzaamheden van de fraters liepen nogal uiteen. In het verleden was dat niet alleen onderwijs in allerlei typen scholen, maar ook jeugdwerk en internaatswerk, medewerker van uitgeverij of drukkerij St.-Gregoriushuis. Heel belangrijk was ook het werk van medebroeders binnen de eigen gemeenschap als portier, kok, econoom, overste, congregatiebestuur, schoolbestuur enz. Veel medebroeders waren dus binnenshuis aan het werk, terwijl anderen hun werk buitenshuis hadden. Ook dit heeft altijd een groot verschil in leefwijze gegeven.

Voor velen is het uitgezonden worden naar de missie (Indonesië en Kenia) een levensvulling geweest. Na soms dertig jaar of meer terugkomen vanwege leeftijd of gezondheid in een totaal veranderd en nog steeds veranderend Nederland is een hele zware opgave voor hen geweest. Het is goed om in de contacten met hen hierover ook te spreken.

Het wegvallen van activiteiten, wat dat betreft met pensioen gaan, is voor velen toch een moeilijke periode. Het duurt veelal wel even, voordat men zijn draai kan vinden, juist omdat men altijd is geleerd en gewend geweest om “iets te doen”. Men wordt meer op zichzelf teruggeworpen, wordt meer afhankelijk van de lokale gemeenschap en als er fysieke of andere ongemakken komen, wordt men bovendien meer en meer afhankelijk van medebroeders en anderen… Een zware opgave om dit allemaal te verwerken en te accepteren. Ook hierin ligt een belangrijk moment voor medewerkenden om er oog voor te hebben en er zo goed mogelijk op te reageren.

f) Vieringen

Patroonsfeest
De kloosternaam was altijd afkomstig van een heilige. Op de feestdag van die heilige had de frater patroonsfeest oftewel naamdag. Dit werd indertijd gevierd in plaats van de verjaardag van de betrokken frater. Dit was vanouds één van de middelen om los te komen van jezelf, van de familie enz. Een middel tot een vorm van onthechting. Nu viert men de verjaardagen weer.

Kloosterfeest
In onze congregatie is het gebruikelijk om kloosterjubilea te vieren vanaf de inkleding, het moment dat men lid is geworden van de gemeenschap. Was 50 jaar, dus het gouden kloosterjubileum, al heel wat, tegenwoordig komen we meerdere keren al 60- en 70-jarige kloosterjubilea tegen. Het is goed dat deze dagen op een feestelijke manier herdacht worden binnen de eigen communiteit. Het is een goed gebruik dat de jubilaris het ook feestelijk met zijn familie – in zoverre nog aanwezig of er contact mee hebbende – kan herdenken.

Kerkelijke feesten
Van oudsher krijgen in kloosters kerkelijke feesten veel aandacht. Allereerst natuurlijk de dagen als Pasen, Hemelvaart, Pinksteren en Kerstmis (25 en 26 december), maar liturgisch eveneens op grotere feesten als Driekoningen (6 januari), St.-Jozef (19 maart), Maria Boodschap (25 maart), Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart (laatste zaterdag in mei), Allerheiligen (1 november), Allerzielen (2 november)  e.d. Veelal probeert men op deze dagen een gezongen Eucharistieviering te houden, al of niet in de morgen én er bij maaltijden of koffie er iets aparts van te maken.

Feestvieren is een wezenstrekje in het kloosterleven, dat vroeger uiteraard veel soberder en strenger was dan tegenwoordig. De kerkelijke en andere feesten waren daarom een goede afwisseling. De tijden van stilzwijgen (silence), beperking in eten en drinken bijvoorbeeld in de Advent ter voorbereiding op het Kerstfeest – 4 weken; Vastentijd, tegenwoordig Veertigdagentijd genoemd, ter voorbereiding op het Paasfeest – 6 weken, werden door de feesten dragelijker en men had iets om naar uit te kijken.

TOT SLOT

Deze tekst heb ik op verzoek geschreven. Ik hoop hiermee de medewerkenden wat inzicht te geven in gebruikte termen en achtergronden van ons leven. Het is heel belangrijk, dunkt mij, dat medewerkenden aan de fraters uitleg vragen als ze een term horen gebruiken of een ritueel zien waarvan ze met de inhoud onbekend zijn. Niet alles is te beschrijven, maar van vragen wordt men wijzer en door kennis kan men mensen veelal beter helpen!

Ik wens alle medewerkenden veel arbeidsvreugde in onze gemeenschap.

Zeist, fr. Leo Ruitenberg
Eerste versie, december 2005
Tweede versie, maart 2011

Fraterhuis St.-Jozef in De Bilt, na de laatste verbouwing in 1995

De meeste Nederlandse fraters bijeen voor een feest, oktober 2010